Learn Dutch
Verb conjugation

zwemmen to swim

Strongperfect with hebben/zijn
Infinitive
zwemmen
Past (sing. / pl.)
zwom / zwommen
Past participle
gezwommen
Imperative
zwem!

zijn when a destination is mentioned (hij is naar de overkant gezwommen); hebben for the activity itself (ik heb een uur gezwommen).

Present

ikik zwem
jij / jejij zwemt
uu zwemt
hij / zij / hethij zwemt
wij / wewij zwemmen
julliejullie zwemmen
zij / zezij zwemmen
question with jijzwem jij …?

Simple past

ikik zwom
jij / jejij zwom
uu zwom
hij / zij / hethij zwom
wij / wewij zwommen
julliejullie zwommen
zij / zezij zwommen

Present perfect

Both auxiliaries are used — see the note above.

ikik heb / ben gezwommen
jij / jejij hebt / bent gezwommen
uu hebt/heeft / bent gezwommen
hij / zij / hethij heeft / is gezwommen
wij / wewij hebben / zijn gezwommen
julliejullie hebben / zijn gezwommen
zij / zezij hebben / zijn gezwommen

Past perfect

ikik had / was gezwommen
jij / jejij had / was gezwommen
uu had / was gezwommen
hij / zij / hethij had / was gezwommen
wij / wewij hadden / waren gezwommen
julliejullie hadden / waren gezwommen
zij / zezij hadden / waren gezwommen

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal zwemmen
jij / jejij zult zwemmen
uu zult zwemmen
hij / zij / hethij zal zwemmen
wij / wewij zullen zwemmen
julliejullie zullen zwemmen
zij / zezij zullen zwemmen

Conditional (zou)

ikik zou zwemmen
jij / jejij zou zwemmen
uu zou zwemmen
hij / zij / hethij zou zwemmen
wij / wewij zouden zwemmen
julliejullie zouden zwemmen
zij / zezij zouden zwemmen

Examples

More strong verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.