Verb conjugation
betalen to pay
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- betalen
- Past (sing. / pl.)
- betaalde / betaalden
- Past participle
- betaald
- Imperative
- betaal!
Present
| ik | ik betaal |
|---|---|
| jij / je | jij betaalt |
| u | u betaalt |
| hij / zij / het | hij betaalt |
| wij / we | wij betalen |
| jullie | jullie betalen |
| zij / ze | zij betalen |
| question with jij | betaal jij …? |
Simple past
| ik | ik betaalde |
|---|---|
| jij / je | jij betaalde |
| u | u betaalde |
| hij / zij / het | hij betaalde |
| wij / we | wij betaalden |
| jullie | jullie betaalden |
| zij / ze | zij betaalden |
Present perfect
| ik | ik heb betaald |
|---|---|
| jij / je | jij hebt betaald |
| u | u hebt/heeft betaald |
| hij / zij / het | hij heeft betaald |
| wij / we | wij hebben betaald |
| jullie | jullie hebben betaald |
| zij / ze | zij hebben betaald |
Past perfect
| ik | ik had betaald |
|---|---|
| jij / je | jij had betaald |
| u | u had betaald |
| hij / zij / het | hij had betaald |
| wij / we | wij hadden betaald |
| jullie | jullie hadden betaald |
| zij / ze | zij hadden betaald |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal betalen |
|---|---|
| jij / je | jij zult betalen |
| u | u zult betalen |
| hij / zij / het | hij zal betalen |
| wij / we | wij zullen betalen |
| jullie | jullie zullen betalen |
| zij / ze | zij zullen betalen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou betalen |
|---|---|
| jij / je | jij zou betalen |
| u | u zou betalen |
| hij / zij / het | hij zou betalen |
| wij / we | wij zouden betalen |
| jullie | jullie zouden betalen |
| zij / ze | zij zouden betalen |
Examples
- Kan ik met pin betalen? — Can I pay by card?
- Ik heb de rekening al betaald. — I've already paid the bill.