Learn Dutch
Verb conjugation

betalen to pay

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
betalen
Past (sing. / pl.)
betaalde / betaalden
Past participle
betaald
Imperative
betaal!

Present

ikik betaal
jij / jejij betaalt
uu betaalt
hij / zij / hethij betaalt
wij / wewij betalen
julliejullie betalen
zij / zezij betalen
question with jijbetaal jij …?

Simple past

ikik betaalde
jij / jejij betaalde
uu betaalde
hij / zij / hethij betaalde
wij / wewij betaalden
julliejullie betaalden
zij / zezij betaalden

Present perfect

ikik heb betaald
jij / jejij hebt betaald
uu hebt/heeft betaald
hij / zij / hethij heeft betaald
wij / wewij hebben betaald
julliejullie hebben betaald
zij / zezij hebben betaald

Past perfect

ikik had betaald
jij / jejij had betaald
uu had betaald
hij / zij / hethij had betaald
wij / wewij hadden betaald
julliejullie hadden betaald
zij / zezij hadden betaald

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal betalen
jij / jejij zult betalen
uu zult betalen
hij / zij / hethij zal betalen
wij / wewij zullen betalen
julliejullie zullen betalen
zij / zezij zullen betalen

Conditional (zou)

ikik zou betalen
jij / jejij zou betalen
uu zou betalen
hij / zij / hethij zou betalen
wij / wewij zouden betalen
julliejullie zouden betalen
zij / zezij zouden betalen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.