Verb conjugation
luisteren to listen
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- luisteren
- Past (sing. / pl.)
- luisterde / luisterden
- Past participle
- geluisterd
- Imperative
- luister!
Present
| ik | ik luister |
|---|---|
| jij / je | jij luistert |
| u | u luistert |
| hij / zij / het | hij luistert |
| wij / we | wij luisteren |
| jullie | jullie luisteren |
| zij / ze | zij luisteren |
| question with jij | luister jij …? |
Simple past
| ik | ik luisterde |
|---|---|
| jij / je | jij luisterde |
| u | u luisterde |
| hij / zij / het | hij luisterde |
| wij / we | wij luisterden |
| jullie | jullie luisterden |
| zij / ze | zij luisterden |
Present perfect
| ik | ik heb geluisterd |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geluisterd |
| u | u hebt/heeft geluisterd |
| hij / zij / het | hij heeft geluisterd |
| wij / we | wij hebben geluisterd |
| jullie | jullie hebben geluisterd |
| zij / ze | zij hebben geluisterd |
Past perfect
| ik | ik had geluisterd |
|---|---|
| jij / je | jij had geluisterd |
| u | u had geluisterd |
| hij / zij / het | hij had geluisterd |
| wij / we | wij hadden geluisterd |
| jullie | jullie hadden geluisterd |
| zij / ze | zij hadden geluisterd |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal luisteren |
|---|---|
| jij / je | jij zult luisteren |
| u | u zult luisteren |
| hij / zij / het | hij zal luisteren |
| wij / we | wij zullen luisteren |
| jullie | jullie zullen luisteren |
| zij / ze | zij zullen luisteren |
Conditional (zou)
| ik | ik zou luisteren |
|---|---|
| jij / je | jij zou luisteren |
| u | u zou luisteren |
| hij / zij / het | hij zou luisteren |
| wij / we | wij zouden luisteren |
| jullie | jullie zouden luisteren |
| zij / ze | zij zouden luisteren |
Examples
- Ik luister elke ochtend naar de radio. — I listen to the radio every morning.
- Hij luisterde niet naar mij. — He didn't listen to me.