Verb conjugation
wonen to live (reside)
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- wonen
- Past (sing. / pl.)
- woonde / woonden
- Past participle
- gewoond
- Imperative
- woon!
Present
| ik | ik woon |
|---|---|
| jij / je | jij woont |
| u | u woont |
| hij / zij / het | hij woont |
| wij / we | wij wonen |
| jullie | jullie wonen |
| zij / ze | zij wonen |
| question with jij | woon jij …? |
Simple past
| ik | ik woonde |
|---|---|
| jij / je | jij woonde |
| u | u woonde |
| hij / zij / het | hij woonde |
| wij / we | wij woonden |
| jullie | jullie woonden |
| zij / ze | zij woonden |
Present perfect
| ik | ik heb gewoond |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gewoond |
| u | u hebt/heeft gewoond |
| hij / zij / het | hij heeft gewoond |
| wij / we | wij hebben gewoond |
| jullie | jullie hebben gewoond |
| zij / ze | zij hebben gewoond |
Past perfect
| ik | ik had gewoond |
|---|---|
| jij / je | jij had gewoond |
| u | u had gewoond |
| hij / zij / het | hij had gewoond |
| wij / we | wij hadden gewoond |
| jullie | jullie hadden gewoond |
| zij / ze | zij hadden gewoond |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal wonen |
|---|---|
| jij / je | jij zult wonen |
| u | u zult wonen |
| hij / zij / het | hij zal wonen |
| wij / we | wij zullen wonen |
| jullie | jullie zullen wonen |
| zij / ze | zij zullen wonen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou wonen |
|---|---|
| jij / je | jij zou wonen |
| u | u zou wonen |
| hij / zij / het | hij zou wonen |
| wij / we | wij zouden wonen |
| jullie | jullie zouden wonen |
| zij / ze | zij zouden wonen |
Examples
- Waar woon je? — Where do you live?
- We woonden vroeger in Leiden. — We used to live in Leiden.