Verb conjugation
werken to work
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- werken
- Past (sing. / pl.)
- werkte / werkten
- Past participle
- gewerkt
- Imperative
- werk!
Present
| ik | ik werk |
|---|---|
| jij / je | jij werkt |
| u | u werkt |
| hij / zij / het | hij werkt |
| wij / we | wij werken |
| jullie | jullie werken |
| zij / ze | zij werken |
| question with jij | werk jij …? |
Simple past
| ik | ik werkte |
|---|---|
| jij / je | jij werkte |
| u | u werkte |
| hij / zij / het | hij werkte |
| wij / we | wij werkten |
| jullie | jullie werkten |
| zij / ze | zij werkten |
Present perfect
| ik | ik heb gewerkt |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gewerkt |
| u | u hebt/heeft gewerkt |
| hij / zij / het | hij heeft gewerkt |
| wij / we | wij hebben gewerkt |
| jullie | jullie hebben gewerkt |
| zij / ze | zij hebben gewerkt |
Past perfect
| ik | ik had gewerkt |
|---|---|
| jij / je | jij had gewerkt |
| u | u had gewerkt |
| hij / zij / het | hij had gewerkt |
| wij / we | wij hadden gewerkt |
| jullie | jullie hadden gewerkt |
| zij / ze | zij hadden gewerkt |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal werken |
|---|---|
| jij / je | jij zult werken |
| u | u zult werken |
| hij / zij / het | hij zal werken |
| wij / we | wij zullen werken |
| jullie | jullie zullen werken |
| zij / ze | zij zullen werken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou werken |
|---|---|
| jij / je | jij zou werken |
| u | u zou werken |
| hij / zij / het | hij zou werken |
| wij / we | wij zouden werken |
| jullie | jullie zouden werken |
| zij / ze | zij zouden werken |
Examples
- Ik werk in een ziekenhuis. — I work in a hospital.
- Ze heeft tien jaar in Rotterdam gewerkt. — She worked in Rotterdam for ten years.