Verb conjugation
voelen to feel (zich voelen = to feel well/ill etc.)
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- voelen
- Past (sing. / pl.)
- voelde / voelden
- Past participle
- gevoeld
- Imperative
- voel!
Present
| ik | ik voel |
|---|---|
| jij / je | jij voelt |
| u | u voelt |
| hij / zij / het | hij voelt |
| wij / we | wij voelen |
| jullie | jullie voelen |
| zij / ze | zij voelen |
| question with jij | voel jij …? |
Simple past
| ik | ik voelde |
|---|---|
| jij / je | jij voelde |
| u | u voelde |
| hij / zij / het | hij voelde |
| wij / we | wij voelden |
| jullie | jullie voelden |
| zij / ze | zij voelden |
Present perfect
| ik | ik heb gevoeld |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gevoeld |
| u | u hebt/heeft gevoeld |
| hij / zij / het | hij heeft gevoeld |
| wij / we | wij hebben gevoeld |
| jullie | jullie hebben gevoeld |
| zij / ze | zij hebben gevoeld |
Past perfect
| ik | ik had gevoeld |
|---|---|
| jij / je | jij had gevoeld |
| u | u had gevoeld |
| hij / zij / het | hij had gevoeld |
| wij / we | wij hadden gevoeld |
| jullie | jullie hadden gevoeld |
| zij / ze | zij hadden gevoeld |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal voelen |
|---|---|
| jij / je | jij zult voelen |
| u | u zult voelen |
| hij / zij / het | hij zal voelen |
| wij / we | wij zullen voelen |
| jullie | jullie zullen voelen |
| zij / ze | zij zullen voelen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou voelen |
|---|---|
| jij / je | jij zou voelen |
| u | u zou voelen |
| hij / zij / het | hij zou voelen |
| wij / we | wij zouden voelen |
| jullie | jullie zouden voelen |
| zij / ze | zij zouden voelen |
Examples
- Ik voel me niet zo lekker. — I don't feel very well.
- Ze voelde iets kouds op haar arm. — She felt something cold on her arm.