Learn Dutch
Verb conjugation

voelen to feel (zich voelen = to feel well/ill etc.)

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
voelen
Past (sing. / pl.)
voelde / voelden
Past participle
gevoeld
Imperative
voel!

Present

ikik voel
jij / jejij voelt
uu voelt
hij / zij / hethij voelt
wij / wewij voelen
julliejullie voelen
zij / zezij voelen
question with jijvoel jij …?

Simple past

ikik voelde
jij / jejij voelde
uu voelde
hij / zij / hethij voelde
wij / wewij voelden
julliejullie voelden
zij / zezij voelden

Present perfect

ikik heb gevoeld
jij / jejij hebt gevoeld
uu hebt/heeft gevoeld
hij / zij / hethij heeft gevoeld
wij / wewij hebben gevoeld
julliejullie hebben gevoeld
zij / zezij hebben gevoeld

Past perfect

ikik had gevoeld
jij / jejij had gevoeld
uu had gevoeld
hij / zij / hethij had gevoeld
wij / wewij hadden gevoeld
julliejullie hadden gevoeld
zij / zezij hadden gevoeld

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal voelen
jij / jejij zult voelen
uu zult voelen
hij / zij / hethij zal voelen
wij / wewij zullen voelen
julliejullie zullen voelen
zij / zezij zullen voelen

Conditional (zou)

ikik zou voelen
jij / jejij zou voelen
uu zou voelen
hij / zij / hethij zou voelen
wij / wewij zouden voelen
julliejullie zouden voelen
zij / zezij zouden voelen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.