Learn Dutch
Verb conjugation

spelen to play

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
spelen
Past (sing. / pl.)
speelde / speelden
Past participle
gespeeld
Imperative
speel!

Present

ikik speel
jij / jejij speelt
uu speelt
hij / zij / hethij speelt
wij / wewij spelen
julliejullie spelen
zij / zezij spelen
question with jijspeel jij …?

Simple past

ikik speelde
jij / jejij speelde
uu speelde
hij / zij / hethij speelde
wij / wewij speelden
julliejullie speelden
zij / zezij speelden

Present perfect

ikik heb gespeeld
jij / jejij hebt gespeeld
uu hebt/heeft gespeeld
hij / zij / hethij heeft gespeeld
wij / wewij hebben gespeeld
julliejullie hebben gespeeld
zij / zezij hebben gespeeld

Past perfect

ikik had gespeeld
jij / jejij had gespeeld
uu had gespeeld
hij / zij / hethij had gespeeld
wij / wewij hadden gespeeld
julliejullie hadden gespeeld
zij / zezij hadden gespeeld

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal spelen
jij / jejij zult spelen
uu zult spelen
hij / zij / hethij zal spelen
wij / wewij zullen spelen
julliejullie zullen spelen
zij / zezij zullen spelen

Conditional (zou)

ikik zou spelen
jij / jejij zou spelen
uu zou spelen
hij / zij / hethij zou spelen
wij / wewij zouden spelen
julliejullie zouden spelen
zij / zezij zouden spelen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.