Verb conjugation
spelen to play
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- spelen
- Past (sing. / pl.)
- speelde / speelden
- Past participle
- gespeeld
- Imperative
- speel!
Present
| ik | ik speel |
|---|---|
| jij / je | jij speelt |
| u | u speelt |
| hij / zij / het | hij speelt |
| wij / we | wij spelen |
| jullie | jullie spelen |
| zij / ze | zij spelen |
| question with jij | speel jij …? |
Simple past
| ik | ik speelde |
|---|---|
| jij / je | jij speelde |
| u | u speelde |
| hij / zij / het | hij speelde |
| wij / we | wij speelden |
| jullie | jullie speelden |
| zij / ze | zij speelden |
Present perfect
| ik | ik heb gespeeld |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gespeeld |
| u | u hebt/heeft gespeeld |
| hij / zij / het | hij heeft gespeeld |
| wij / we | wij hebben gespeeld |
| jullie | jullie hebben gespeeld |
| zij / ze | zij hebben gespeeld |
Past perfect
| ik | ik had gespeeld |
|---|---|
| jij / je | jij had gespeeld |
| u | u had gespeeld |
| hij / zij / het | hij had gespeeld |
| wij / we | wij hadden gespeeld |
| jullie | jullie hadden gespeeld |
| zij / ze | zij hadden gespeeld |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal spelen |
|---|---|
| jij / je | jij zult spelen |
| u | u zult spelen |
| hij / zij / het | hij zal spelen |
| wij / we | wij zullen spelen |
| jullie | jullie zullen spelen |
| zij / ze | zij zullen spelen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou spelen |
|---|---|
| jij / je | jij zou spelen |
| u | u zou spelen |
| hij / zij / het | hij zou spelen |
| wij / we | wij zouden spelen |
| jullie | jullie zouden spelen |
| zij / ze | zij zouden spelen |
Examples
- De kinderen spelen buiten. — The children are playing outside.
- Ik speelde vroeger piano. — I used to play the piano.