Verb conjugation
praten to talk
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- praten
- Past (sing. / pl.)
- praatte / praatten
- Past participle
- gepraat
- Imperative
- praat!
Present
| ik | ik praat |
|---|---|
| jij / je | jij praat |
| u | u praat |
| hij / zij / het | hij praat |
| wij / we | wij praten |
| jullie | jullie praten |
| zij / ze | zij praten |
| question with jij | praat jij …? |
Simple past
| ik | ik praatte |
|---|---|
| jij / je | jij praatte |
| u | u praatte |
| hij / zij / het | hij praatte |
| wij / we | wij praatten |
| jullie | jullie praatten |
| zij / ze | zij praatten |
Present perfect
| ik | ik heb gepraat |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gepraat |
| u | u hebt/heeft gepraat |
| hij / zij / het | hij heeft gepraat |
| wij / we | wij hebben gepraat |
| jullie | jullie hebben gepraat |
| zij / ze | zij hebben gepraat |
Past perfect
| ik | ik had gepraat |
|---|---|
| jij / je | jij had gepraat |
| u | u had gepraat |
| hij / zij / het | hij had gepraat |
| wij / we | wij hadden gepraat |
| jullie | jullie hadden gepraat |
| zij / ze | zij hadden gepraat |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal praten |
|---|---|
| jij / je | jij zult praten |
| u | u zult praten |
| hij / zij / het | hij zal praten |
| wij / we | wij zullen praten |
| jullie | jullie zullen praten |
| zij / ze | zij zullen praten |
Conditional (zou)
| ik | ik zou praten |
|---|---|
| jij / je | jij zou praten |
| u | u zou praten |
| hij / zij / het | hij zou praten |
| wij / we | wij zouden praten |
| jullie | jullie zouden praten |
| zij / ze | zij zouden praten |
Examples
- We praten vaak over politiek. — We often talk about politics.
- Ik heb met de buren gepraat. — I talked to the neighbours.