Verb conjugation
maken to make
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- maken
- Past (sing. / pl.)
- maakte / maakten
- Past participle
- gemaakt
- Imperative
- maak!
Present
| ik | ik maak |
|---|---|
| jij / je | jij maakt |
| u | u maakt |
| hij / zij / het | hij maakt |
| wij / we | wij maken |
| jullie | jullie maken |
| zij / ze | zij maken |
| question with jij | maak jij …? |
Simple past
| ik | ik maakte |
|---|---|
| jij / je | jij maakte |
| u | u maakte |
| hij / zij / het | hij maakte |
| wij / we | wij maakten |
| jullie | jullie maakten |
| zij / ze | zij maakten |
Present perfect
| ik | ik heb gemaakt |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gemaakt |
| u | u hebt/heeft gemaakt |
| hij / zij / het | hij heeft gemaakt |
| wij / we | wij hebben gemaakt |
| jullie | jullie hebben gemaakt |
| zij / ze | zij hebben gemaakt |
Past perfect
| ik | ik had gemaakt |
|---|---|
| jij / je | jij had gemaakt |
| u | u had gemaakt |
| hij / zij / het | hij had gemaakt |
| wij / we | wij hadden gemaakt |
| jullie | jullie hadden gemaakt |
| zij / ze | zij hadden gemaakt |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal maken |
|---|---|
| jij / je | jij zult maken |
| u | u zult maken |
| hij / zij / het | hij zal maken |
| wij / we | wij zullen maken |
| jullie | jullie zullen maken |
| zij / ze | zij zullen maken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou maken |
|---|---|
| jij / je | jij zou maken |
| u | u zou maken |
| hij / zij / het | hij zou maken |
| wij / we | wij zouden maken |
| jullie | jullie zouden maken |
| zij / ze | zij zouden maken |
Examples
- Ik maak een salade. — I'm making a salad.
- Hij heeft een fout gemaakt. — He made a mistake.