Verb conjugation
zich aankleden to get dressed (zich aankleden)
Regular (weak)perfect with hebbenseparable: aan + kledenreflexive
- Infinitive
- aankleden
- Past (sing. / pl.)
- kleedde aan / kleedden aan
- Past participle
- aangekleed
- Imperative
- kleed je aan!
Present
| ik | ik kleed me aan |
|---|---|
| jij / je | jij kleedt je aan |
| u | u kleedt zich aan |
| hij / zij / het | hij kleedt zich aan |
| wij / we | wij kleden ons aan |
| jullie | jullie kleden je aan |
| zij / ze | zij kleden zich aan |
| question with jij | kleed jij je … aan? |
Simple past
| ik | ik kleedde me aan |
|---|---|
| jij / je | jij kleedde je aan |
| u | u kleedde zich aan |
| hij / zij / het | hij kleedde zich aan |
| wij / we | wij kleedden ons aan |
| jullie | jullie kleedden je aan |
| zij / ze | zij kleedden zich aan |
Present perfect
| ik | ik heb me aangekleed |
|---|---|
| jij / je | jij hebt je aangekleed |
| u | u hebt/heeft zich aangekleed |
| hij / zij / het | hij heeft zich aangekleed |
| wij / we | wij hebben ons aangekleed |
| jullie | jullie hebben je aangekleed |
| zij / ze | zij hebben zich aangekleed |
Past perfect
| ik | ik had me aangekleed |
|---|---|
| jij / je | jij had je aangekleed |
| u | u had zich aangekleed |
| hij / zij / het | hij had zich aangekleed |
| wij / we | wij hadden ons aangekleed |
| jullie | jullie hadden je aangekleed |
| zij / ze | zij hadden zich aangekleed |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal me aankleden |
|---|---|
| jij / je | jij zult je aankleden |
| u | u zult zich aankleden |
| hij / zij / het | hij zal zich aankleden |
| wij / we | wij zullen ons aankleden |
| jullie | jullie zullen je aankleden |
| zij / ze | zij zullen zich aankleden |
Conditional (zou)
| ik | ik zou me aankleden |
|---|---|
| jij / je | jij zou je aankleden |
| u | u zou zich aankleden |
| hij / zij / het | hij zou zich aankleden |
| wij / we | wij zouden ons aankleden |
| jullie | jullie zouden je aankleden |
| zij / ze | zij zouden zich aankleden |
In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik aankleden → see separable verbs.
Examples
- Ik kleed me snel aan. — I get dressed quickly.
- Heb je je al aangekleed? — Have you got dressed yet?