Learn Dutch
Verb conjugation

antwoorden to answer, to reply

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
antwoorden
Past (sing. / pl.)
antwoordde / antwoordden
Past participle
geantwoord
Imperative
antwoord!

Present

ikik antwoord
jij / jejij antwoordt
uu antwoordt
hij / zij / hethij antwoordt
wij / wewij antwoorden
julliejullie antwoorden
zij / zezij antwoorden
question with jijantwoord jij …?

Simple past

ikik antwoordde
jij / jejij antwoordde
uu antwoordde
hij / zij / hethij antwoordde
wij / wewij antwoordden
julliejullie antwoordden
zij / zezij antwoordden

Present perfect

ikik heb geantwoord
jij / jejij hebt geantwoord
uu hebt/heeft geantwoord
hij / zij / hethij heeft geantwoord
wij / wewij hebben geantwoord
julliejullie hebben geantwoord
zij / zezij hebben geantwoord

Past perfect

ikik had geantwoord
jij / jejij had geantwoord
uu had geantwoord
hij / zij / hethij had geantwoord
wij / wewij hadden geantwoord
julliejullie hadden geantwoord
zij / zezij hadden geantwoord

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal antwoorden
jij / jejij zult antwoorden
uu zult antwoorden
hij / zij / hethij zal antwoorden
wij / wewij zullen antwoorden
julliejullie zullen antwoorden
zij / zezij zullen antwoorden

Conditional (zou)

ikik zou antwoorden
jij / jejij zou antwoorden
uu zou antwoorden
hij / zij / hethij zou antwoorden
wij / wewij zouden antwoorden
julliejullie zouden antwoorden
zij / zezij zouden antwoorden

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.