Learn Dutch
Verb conjugation

fotograferen to photograph

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
fotograferen
Past (sing. / pl.)
fotografeerde / fotografeerden
Past participle
gefotografeerd
Imperative
fotografeer!

Present

ikik fotografeer
jij / jejij fotografeert
uu fotografeert
hij / zij / hethij fotografeert
wij / wewij fotograferen
julliejullie fotograferen
zij / zezij fotograferen
question with jijfotografeer jij …?

Simple past

ikik fotografeerde
jij / jejij fotografeerde
uu fotografeerde
hij / zij / hethij fotografeerde
wij / wewij fotografeerden
julliejullie fotografeerden
zij / zezij fotografeerden

Present perfect

ikik heb gefotografeerd
jij / jejij hebt gefotografeerd
uu hebt/heeft gefotografeerd
hij / zij / hethij heeft gefotografeerd
wij / wewij hebben gefotografeerd
julliejullie hebben gefotografeerd
zij / zezij hebben gefotografeerd

Past perfect

ikik had gefotografeerd
jij / jejij had gefotografeerd
uu had gefotografeerd
hij / zij / hethij had gefotografeerd
wij / wewij hadden gefotografeerd
julliejullie hadden gefotografeerd
zij / zezij hadden gefotografeerd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal fotograferen
jij / jejij zult fotograferen
uu zult fotograferen
hij / zij / hethij zal fotograferen
wij / wewij zullen fotograferen
julliejullie zullen fotograferen
zij / zezij zullen fotograferen

Conditional (zou)

ikik zou fotograferen
jij / jejij zou fotograferen
uu zou fotograferen
hij / zij / hethij zou fotograferen
wij / wewij zouden fotograferen
julliejullie zouden fotograferen
zij / zezij zouden fotograferen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.