Learn Dutch
Verb conjugation

gebeuren to happen

Regular (weak)perfect with zijn
Infinitive
gebeuren
Past (sing. / pl.)
gebeurde / gebeurden
Past participle
gebeurd
Imperative
— (not used)

Present

ikik gebeur
jij / jejij gebeurt
uu gebeurt
hij / zij / hethij gebeurt
wij / wewij gebeuren
julliejullie gebeuren
zij / zezij gebeuren
question with jijgebeur jij …?

Simple past

ikik gebeurde
jij / jejij gebeurde
uu gebeurde
hij / zij / hethij gebeurde
wij / wewij gebeurden
julliejullie gebeurden
zij / zezij gebeurden

Present perfect

ikik ben gebeurd
jij / jejij bent gebeurd
uu bent gebeurd
hij / zij / hethij is gebeurd
wij / wewij zijn gebeurd
julliejullie zijn gebeurd
zij / zezij zijn gebeurd

Past perfect

ikik was gebeurd
jij / jejij was gebeurd
uu was gebeurd
hij / zij / hethij was gebeurd
wij / wewij waren gebeurd
julliejullie waren gebeurd
zij / zezij waren gebeurd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal gebeuren
jij / jejij zult gebeuren
uu zult gebeuren
hij / zij / hethij zal gebeuren
wij / wewij zullen gebeuren
julliejullie zullen gebeuren
zij / zezij zullen gebeuren

Conditional (zou)

ikik zou gebeuren
jij / jejij zou gebeuren
uu zou gebeuren
hij / zij / hethij zou gebeuren
wij / wewij zouden gebeuren
julliejullie zouden gebeuren
zij / zezij zouden gebeuren

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.