Verb conjugation
gebruiken to use
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- gebruiken
- Past (sing. / pl.)
- gebruikte / gebruikten
- Past participle
- gebruikt
- Imperative
- gebruik!
Present
| ik | ik gebruik |
|---|---|
| jij / je | jij gebruikt |
| u | u gebruikt |
| hij / zij / het | hij gebruikt |
| wij / we | wij gebruiken |
| jullie | jullie gebruiken |
| zij / ze | zij gebruiken |
| question with jij | gebruik jij …? |
Simple past
| ik | ik gebruikte |
|---|---|
| jij / je | jij gebruikte |
| u | u gebruikte |
| hij / zij / het | hij gebruikte |
| wij / we | wij gebruikten |
| jullie | jullie gebruikten |
| zij / ze | zij gebruikten |
Present perfect
| ik | ik heb gebruikt |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gebruikt |
| u | u hebt/heeft gebruikt |
| hij / zij / het | hij heeft gebruikt |
| wij / we | wij hebben gebruikt |
| jullie | jullie hebben gebruikt |
| zij / ze | zij hebben gebruikt |
Past perfect
| ik | ik had gebruikt |
|---|---|
| jij / je | jij had gebruikt |
| u | u had gebruikt |
| hij / zij / het | hij had gebruikt |
| wij / we | wij hadden gebruikt |
| jullie | jullie hadden gebruikt |
| zij / ze | zij hadden gebruikt |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal gebruiken |
|---|---|
| jij / je | jij zult gebruiken |
| u | u zult gebruiken |
| hij / zij / het | hij zal gebruiken |
| wij / we | wij zullen gebruiken |
| jullie | jullie zullen gebruiken |
| zij / ze | zij zullen gebruiken |
Conditional (zou)
| ik | ik zou gebruiken |
|---|---|
| jij / je | jij zou gebruiken |
| u | u zou gebruiken |
| hij / zij / het | hij zou gebruiken |
| wij / we | wij zouden gebruiken |
| jullie | jullie zouden gebruiken |
| zij / ze | zij zouden gebruiken |
Examples
- Mag ik je pen even gebruiken? — Can I use your pen for a moment?
- Ik heb de app nog nooit gebruikt. — I've never used the app.