Learn Dutch
Verb conjugation

geloven to believe

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
geloven
Past (sing. / pl.)
geloofde / geloofden
Past participle
geloofd
Imperative
geloof!

Present

ikik geloof
jij / jejij gelooft
uu gelooft
hij / zij / hethij gelooft
wij / wewij geloven
julliejullie geloven
zij / zezij geloven
question with jijgeloof jij …?

Simple past

ikik geloofde
jij / jejij geloofde
uu geloofde
hij / zij / hethij geloofde
wij / wewij geloofden
julliejullie geloofden
zij / zezij geloofden

Present perfect

ikik heb geloofd
jij / jejij hebt geloofd
uu hebt/heeft geloofd
hij / zij / hethij heeft geloofd
wij / wewij hebben geloofd
julliejullie hebben geloofd
zij / zezij hebben geloofd

Past perfect

ikik had geloofd
jij / jejij had geloofd
uu had geloofd
hij / zij / hethij had geloofd
wij / wewij hadden geloofd
julliejullie hadden geloofd
zij / zezij hadden geloofd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal geloven
jij / jejij zult geloven
uu zult geloven
hij / zij / hethij zal geloven
wij / wewij zullen geloven
julliejullie zullen geloven
zij / zezij zullen geloven

Conditional (zou)

ikik zou geloven
jij / jejij zou geloven
uu zou geloven
hij / zij / hethij zou geloven
wij / wewij zouden geloven
julliejullie zouden geloven
zij / zezij zouden geloven

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.