Learn Dutch
Verb conjugation

leggen to put, to lay (flat)

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
leggen
Past (sing. / pl.)
legde / legden
Past participle
gelegd
Imperative
leg!

Present

ikik leg
jij / jejij legt
uu legt
hij / zij / hethij legt
wij / wewij leggen
julliejullie leggen
zij / zezij leggen
question with jijleg jij …?

Simple past

ikik legde
jij / jejij legde
uu legde
hij / zij / hethij legde
wij / wewij legden
julliejullie legden
zij / zezij legden

Present perfect

ikik heb gelegd
jij / jejij hebt gelegd
uu hebt/heeft gelegd
hij / zij / hethij heeft gelegd
wij / wewij hebben gelegd
julliejullie hebben gelegd
zij / zezij hebben gelegd

Past perfect

ikik had gelegd
jij / jejij had gelegd
uu had gelegd
hij / zij / hethij had gelegd
wij / wewij hadden gelegd
julliejullie hadden gelegd
zij / zezij hadden gelegd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal leggen
jij / jejij zult leggen
uu zult leggen
hij / zij / hethij zal leggen
wij / wewij zullen leggen
julliejullie zullen leggen
zij / zezij zullen leggen

Conditional (zou)

ikik zou leggen
jij / jejij zou leggen
uu zou leggen
hij / zij / hethij zou leggen
wij / wewij zouden leggen
julliejullie zouden leggen
zij / zezij zouden leggen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.