Verb conjugation
leggen to put, to lay (flat)
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- leggen
- Past (sing. / pl.)
- legde / legden
- Past participle
- gelegd
- Imperative
- leg!
Present
| ik | ik leg |
|---|---|
| jij / je | jij legt |
| u | u legt |
| hij / zij / het | hij legt |
| wij / we | wij leggen |
| jullie | jullie leggen |
| zij / ze | zij leggen |
| question with jij | leg jij …? |
Simple past
| ik | ik legde |
|---|---|
| jij / je | jij legde |
| u | u legde |
| hij / zij / het | hij legde |
| wij / we | wij legden |
| jullie | jullie legden |
| zij / ze | zij legden |
Present perfect
| ik | ik heb gelegd |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gelegd |
| u | u hebt/heeft gelegd |
| hij / zij / het | hij heeft gelegd |
| wij / we | wij hebben gelegd |
| jullie | jullie hebben gelegd |
| zij / ze | zij hebben gelegd |
Past perfect
| ik | ik had gelegd |
|---|---|
| jij / je | jij had gelegd |
| u | u had gelegd |
| hij / zij / het | hij had gelegd |
| wij / we | wij hadden gelegd |
| jullie | jullie hadden gelegd |
| zij / ze | zij hadden gelegd |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal leggen |
|---|---|
| jij / je | jij zult leggen |
| u | u zult leggen |
| hij / zij / het | hij zal leggen |
| wij / we | wij zullen leggen |
| jullie | jullie zullen leggen |
| zij / ze | zij zullen leggen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou leggen |
|---|---|
| jij / je | jij zou leggen |
| u | u zou leggen |
| hij / zij / het | hij zou leggen |
| wij / we | wij zouden leggen |
| jullie | jullie zouden leggen |
| zij / ze | zij zouden leggen |
Examples
- Leg je jas maar op het bed. — Just put your coat on the bed.
- Ik heb het boek op je bureau gelegd. — I've put the book on your desk.