Learn Dutch
Verb conjugation

leven to live (be alive)

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
leven
Past (sing. / pl.)
leefde / leefden
Past participle
geleefd
Imperative
leef!

Present

ikik leef
jij / jejij leeft
uu leeft
hij / zij / hethij leeft
wij / wewij leven
julliejullie leven
zij / zezij leven
question with jijleef jij …?

Simple past

ikik leefde
jij / jejij leefde
uu leefde
hij / zij / hethij leefde
wij / wewij leefden
julliejullie leefden
zij / zezij leefden

Present perfect

ikik heb geleefd
jij / jejij hebt geleefd
uu hebt/heeft geleefd
hij / zij / hethij heeft geleefd
wij / wewij hebben geleefd
julliejullie hebben geleefd
zij / zezij hebben geleefd

Past perfect

ikik had geleefd
jij / jejij had geleefd
uu had geleefd
hij / zij / hethij had geleefd
wij / wewij hadden geleefd
julliejullie hadden geleefd
zij / zezij hadden geleefd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal leven
jij / jejij zult leven
uu zult leven
hij / zij / hethij zal leven
wij / wewij zullen leven
julliejullie zullen leven
zij / zezij zullen leven

Conditional (zou)

ikik zou leven
jij / jejij zou leven
uu zou leven
hij / zij / hethij zou leven
wij / wewij zouden leven
julliejullie zouden leven
zij / zezij zouden leven

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.