Learn Dutch
Verb conjugation

openen to open

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
openen
Past (sing. / pl.)
opende / openden
Past participle
geopend
Imperative
open!

Present

ikik open
jij / jejij opent
uu opent
hij / zij / hethij opent
wij / wewij openen
julliejullie openen
zij / zezij openen
question with jijopen jij …?

Simple past

ikik opende
jij / jejij opende
uu opende
hij / zij / hethij opende
wij / wewij openden
julliejullie openden
zij / zezij openden

Present perfect

ikik heb geopend
jij / jejij hebt geopend
uu hebt/heeft geopend
hij / zij / hethij heeft geopend
wij / wewij hebben geopend
julliejullie hebben geopend
zij / zezij hebben geopend

Past perfect

ikik had geopend
jij / jejij had geopend
uu had geopend
hij / zij / hethij had geopend
wij / wewij hadden geopend
julliejullie hadden geopend
zij / zezij hadden geopend

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal openen
jij / jejij zult openen
uu zult openen
hij / zij / hethij zal openen
wij / wewij zullen openen
julliejullie zullen openen
zij / zezij zullen openen

Conditional (zou)

ikik zou openen
jij / jejij zou openen
uu zou openen
hij / zij / hethij zou openen
wij / wewij zouden openen
julliejullie zouden openen
zij / zezij zouden openen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.