Verb conjugation
openen to open
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- openen
- Past (sing. / pl.)
- opende / openden
- Past participle
- geopend
- Imperative
- open!
Present
| ik | ik open |
|---|---|
| jij / je | jij opent |
| u | u opent |
| hij / zij / het | hij opent |
| wij / we | wij openen |
| jullie | jullie openen |
| zij / ze | zij openen |
| question with jij | open jij …? |
Simple past
| ik | ik opende |
|---|---|
| jij / je | jij opende |
| u | u opende |
| hij / zij / het | hij opende |
| wij / we | wij openden |
| jullie | jullie openden |
| zij / ze | zij openden |
Present perfect
| ik | ik heb geopend |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geopend |
| u | u hebt/heeft geopend |
| hij / zij / het | hij heeft geopend |
| wij / we | wij hebben geopend |
| jullie | jullie hebben geopend |
| zij / ze | zij hebben geopend |
Past perfect
| ik | ik had geopend |
|---|---|
| jij / je | jij had geopend |
| u | u had geopend |
| hij / zij / het | hij had geopend |
| wij / we | wij hadden geopend |
| jullie | jullie hadden geopend |
| zij / ze | zij hadden geopend |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal openen |
|---|---|
| jij / je | jij zult openen |
| u | u zult openen |
| hij / zij / het | hij zal openen |
| wij / we | wij zullen openen |
| jullie | jullie zullen openen |
| zij / ze | zij zullen openen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou openen |
|---|---|
| jij / je | jij zou openen |
| u | u zou openen |
| hij / zij / het | hij zou openen |
| wij / we | wij zouden openen |
| jullie | jullie zouden openen |
| zij / ze | zij zouden openen |
Examples
- De winkel opent om negen uur. — The shop opens at nine.
- Ze heeft het cadeau voorzichtig geopend. — She opened the present carefully.