Verb conjugation
ophalen to pick up, to collect
Regular (weak)perfect with hebbenseparable: op + halen
- Infinitive
- ophalen
- Past (sing. / pl.)
- haalde op / haalden op
- Past participle
- opgehaald
- Imperative
- haal op!
Present
| ik | ik haal op |
|---|---|
| jij / je | jij haalt op |
| u | u haalt op |
| hij / zij / het | hij haalt op |
| wij / we | wij halen op |
| jullie | jullie halen op |
| zij / ze | zij halen op |
| question with jij | haal jij … op? |
Simple past
| ik | ik haalde op |
|---|---|
| jij / je | jij haalde op |
| u | u haalde op |
| hij / zij / het | hij haalde op |
| wij / we | wij haalden op |
| jullie | jullie haalden op |
| zij / ze | zij haalden op |
Present perfect
| ik | ik heb opgehaald |
|---|---|
| jij / je | jij hebt opgehaald |
| u | u hebt/heeft opgehaald |
| hij / zij / het | hij heeft opgehaald |
| wij / we | wij hebben opgehaald |
| jullie | jullie hebben opgehaald |
| zij / ze | zij hebben opgehaald |
Past perfect
| ik | ik had opgehaald |
|---|---|
| jij / je | jij had opgehaald |
| u | u had opgehaald |
| hij / zij / het | hij had opgehaald |
| wij / we | wij hadden opgehaald |
| jullie | jullie hadden opgehaald |
| zij / ze | zij hadden opgehaald |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal ophalen |
|---|---|
| jij / je | jij zult ophalen |
| u | u zult ophalen |
| hij / zij / het | hij zal ophalen |
| wij / we | wij zullen ophalen |
| jullie | jullie zullen ophalen |
| zij / ze | zij zullen ophalen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou ophalen |
|---|---|
| jij / je | jij zou ophalen |
| u | u zou ophalen |
| hij / zij / het | hij zou ophalen |
| wij / we | wij zouden ophalen |
| jullie | jullie zouden ophalen |
| zij / ze | zij zouden ophalen |
In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik ophalen → see separable verbs.
Examples
- Ik haal je om zes uur op. — I'll pick you up at six.
- Hij heeft de kinderen van school opgehaald. — He picked the children up from school.