Verb conjugation
proberen to try
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- proberen
- Past (sing. / pl.)
- probeerde / probeerden
- Past participle
- geprobeerd
- Imperative
- probeer!
Present
| ik | ik probeer |
|---|---|
| jij / je | jij probeert |
| u | u probeert |
| hij / zij / het | hij probeert |
| wij / we | wij proberen |
| jullie | jullie proberen |
| zij / ze | zij proberen |
| question with jij | probeer jij …? |
Simple past
| ik | ik probeerde |
|---|---|
| jij / je | jij probeerde |
| u | u probeerde |
| hij / zij / het | hij probeerde |
| wij / we | wij probeerden |
| jullie | jullie probeerden |
| zij / ze | zij probeerden |
Present perfect
| ik | ik heb geprobeerd |
|---|---|
| jij / je | jij hebt geprobeerd |
| u | u hebt/heeft geprobeerd |
| hij / zij / het | hij heeft geprobeerd |
| wij / we | wij hebben geprobeerd |
| jullie | jullie hebben geprobeerd |
| zij / ze | zij hebben geprobeerd |
Past perfect
| ik | ik had geprobeerd |
|---|---|
| jij / je | jij had geprobeerd |
| u | u had geprobeerd |
| hij / zij / het | hij had geprobeerd |
| wij / we | wij hadden geprobeerd |
| jullie | jullie hadden geprobeerd |
| zij / ze | zij hadden geprobeerd |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal proberen |
|---|---|
| jij / je | jij zult proberen |
| u | u zult proberen |
| hij / zij / het | hij zal proberen |
| wij / we | wij zullen proberen |
| jullie | jullie zullen proberen |
| zij / ze | zij zullen proberen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou proberen |
|---|---|
| jij / je | jij zou proberen |
| u | u zou proberen |
| hij / zij / het | hij zou proberen |
| wij / we | wij zouden proberen |
| jullie | jullie zouden proberen |
| zij / ze | zij zouden proberen |
Examples
- Probeer het nog een keer. — Try it once more.
- Ik heb het geprobeerd, maar het lukte niet. — I tried, but it didn't work.