Learn Dutch
Verb conjugation

schoonmaken to clean

Regular (weak)perfect with hebbenseparable: schoon + maken
Infinitive
schoonmaken
Past (sing. / pl.)
maakte schoon / maakten schoon
Past participle
schoongemaakt
Imperative
maak schoon!

Present

ikik maak schoon
jij / jejij maakt schoon
uu maakt schoon
hij / zij / hethij maakt schoon
wij / wewij maken schoon
julliejullie maken schoon
zij / zezij maken schoon
question with jijmaak jij … schoon?

Simple past

ikik maakte schoon
jij / jejij maakte schoon
uu maakte schoon
hij / zij / hethij maakte schoon
wij / wewij maakten schoon
julliejullie maakten schoon
zij / zezij maakten schoon

Present perfect

ikik heb schoongemaakt
jij / jejij hebt schoongemaakt
uu hebt/heeft schoongemaakt
hij / zij / hethij heeft schoongemaakt
wij / wewij hebben schoongemaakt
julliejullie hebben schoongemaakt
zij / zezij hebben schoongemaakt

Past perfect

ikik had schoongemaakt
jij / jejij had schoongemaakt
uu had schoongemaakt
hij / zij / hethij had schoongemaakt
wij / wewij hadden schoongemaakt
julliejullie hadden schoongemaakt
zij / zezij hadden schoongemaakt

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal schoonmaken
jij / jejij zult schoonmaken
uu zult schoonmaken
hij / zij / hethij zal schoonmaken
wij / wewij zullen schoonmaken
julliejullie zullen schoonmaken
zij / zezij zullen schoonmaken

Conditional (zou)

ikik zou schoonmaken
jij / jejij zou schoonmaken
uu zou schoonmaken
hij / zij / hethij zou schoonmaken
wij / wewij zouden schoonmaken
julliejullie zouden schoonmaken
zij / zezij zouden schoonmaken

In a subordinate clause the prefix stays attached: …dat ik schoonmaken → see separable verbs.

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.