Learn Dutch
Verb conjugation

studeren to study (at university)

Regular (weak)perfect with hebben
Infinitive
studeren
Past (sing. / pl.)
studeerde / studeerden
Past participle
gestudeerd
Imperative
studeer!

Present

ikik studeer
jij / jejij studeert
uu studeert
hij / zij / hethij studeert
wij / wewij studeren
julliejullie studeren
zij / zezij studeren
question with jijstudeer jij …?

Simple past

ikik studeerde
jij / jejij studeerde
uu studeerde
hij / zij / hethij studeerde
wij / wewij studeerden
julliejullie studeerden
zij / zezij studeerden

Present perfect

ikik heb gestudeerd
jij / jejij hebt gestudeerd
uu hebt/heeft gestudeerd
hij / zij / hethij heeft gestudeerd
wij / wewij hebben gestudeerd
julliejullie hebben gestudeerd
zij / zezij hebben gestudeerd

Past perfect

ikik had gestudeerd
jij / jejij had gestudeerd
uu had gestudeerd
hij / zij / hethij had gestudeerd
wij / wewij hadden gestudeerd
julliejullie hadden gestudeerd
zij / zezij hadden gestudeerd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal studeren
jij / jejij zult studeren
uu zult studeren
hij / zij / hethij zal studeren
wij / wewij zullen studeren
julliejullie zullen studeren
zij / zezij zullen studeren

Conditional (zou)

ikik zou studeren
jij / jejij zou studeren
uu zou studeren
hij / zij / hethij zou studeren
wij / wewij zouden studeren
julliejullie zouden studeren
zij / zezij zouden studeren

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.