Verb conjugation
studeren to study (at university)
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- studeren
- Past (sing. / pl.)
- studeerde / studeerden
- Past participle
- gestudeerd
- Imperative
- studeer!
Present
| ik | ik studeer |
|---|---|
| jij / je | jij studeert |
| u | u studeert |
| hij / zij / het | hij studeert |
| wij / we | wij studeren |
| jullie | jullie studeren |
| zij / ze | zij studeren |
| question with jij | studeer jij …? |
Simple past
| ik | ik studeerde |
|---|---|
| jij / je | jij studeerde |
| u | u studeerde |
| hij / zij / het | hij studeerde |
| wij / we | wij studeerden |
| jullie | jullie studeerden |
| zij / ze | zij studeerden |
Present perfect
| ik | ik heb gestudeerd |
|---|---|
| jij / je | jij hebt gestudeerd |
| u | u hebt/heeft gestudeerd |
| hij / zij / het | hij heeft gestudeerd |
| wij / we | wij hebben gestudeerd |
| jullie | jullie hebben gestudeerd |
| zij / ze | zij hebben gestudeerd |
Past perfect
| ik | ik had gestudeerd |
|---|---|
| jij / je | jij had gestudeerd |
| u | u had gestudeerd |
| hij / zij / het | hij had gestudeerd |
| wij / we | wij hadden gestudeerd |
| jullie | jullie hadden gestudeerd |
| zij / ze | zij hadden gestudeerd |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal studeren |
|---|---|
| jij / je | jij zult studeren |
| u | u zult studeren |
| hij / zij / het | hij zal studeren |
| wij / we | wij zullen studeren |
| jullie | jullie zullen studeren |
| zij / ze | zij zullen studeren |
Conditional (zou)
| ik | ik zou studeren |
|---|---|
| jij / je | jij zou studeren |
| u | u zou studeren |
| hij / zij / het | hij zou studeren |
| wij / we | wij zouden studeren |
| jullie | jullie zouden studeren |
| zij / ze | zij zouden studeren |
Examples
- Mijn zus studeert rechten in Leiden. — My sister studies law in Leiden.
- Ik heb in Utrecht gestudeerd. — I studied in Utrecht.