Learn Dutch
Verb conjugation

trouwen to marry, to get married

Regular (weak)perfect with zijn
Infinitive
trouwen
Past (sing. / pl.)
trouwde / trouwden
Past participle
getrouwd
Imperative
trouw!

Present

ikik trouw
jij / jejij trouwt
uu trouwt
hij / zij / hethij trouwt
wij / wewij trouwen
julliejullie trouwen
zij / zezij trouwen
question with jijtrouw jij …?

Simple past

ikik trouwde
jij / jejij trouwde
uu trouwde
hij / zij / hethij trouwde
wij / wewij trouwden
julliejullie trouwden
zij / zezij trouwden

Present perfect

ikik ben getrouwd
jij / jejij bent getrouwd
uu bent getrouwd
hij / zij / hethij is getrouwd
wij / wewij zijn getrouwd
julliejullie zijn getrouwd
zij / zezij zijn getrouwd

Past perfect

ikik was getrouwd
jij / jejij was getrouwd
uu was getrouwd
hij / zij / hethij was getrouwd
wij / wewij waren getrouwd
julliejullie waren getrouwd
zij / zezij waren getrouwd

Future (zullen)

In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.

ikik zal trouwen
jij / jejij zult trouwen
uu zult trouwen
hij / zij / hethij zal trouwen
wij / wewij zullen trouwen
julliejullie zullen trouwen
zij / zezij zullen trouwen

Conditional (zou)

ikik zou trouwen
jij / jejij zou trouwen
uu zou trouwen
hij / zij / hethij zou trouwen
wij / wewij zouden trouwen
julliejullie zouden trouwen
zij / zezij zouden trouwen

Examples

More regular (weak) verbs

Learn the system

Dutch verb conjugation: the complete overview

How Dutch verbs are conjugated in every tense, with clear rules for stems, endings, weak and strong verbs, participles and u forms, plus full tables.