Verb conjugation
trouwen to marry, to get married
Regular (weak)perfect with zijn
- Infinitive
- trouwen
- Past (sing. / pl.)
- trouwde / trouwden
- Past participle
- getrouwd
- Imperative
- trouw!
Present
| ik | ik trouw |
|---|---|
| jij / je | jij trouwt |
| u | u trouwt |
| hij / zij / het | hij trouwt |
| wij / we | wij trouwen |
| jullie | jullie trouwen |
| zij / ze | zij trouwen |
| question with jij | trouw jij …? |
Simple past
| ik | ik trouwde |
|---|---|
| jij / je | jij trouwde |
| u | u trouwde |
| hij / zij / het | hij trouwde |
| wij / we | wij trouwden |
| jullie | jullie trouwden |
| zij / ze | zij trouwden |
Present perfect
| ik | ik ben getrouwd |
|---|---|
| jij / je | jij bent getrouwd |
| u | u bent getrouwd |
| hij / zij / het | hij is getrouwd |
| wij / we | wij zijn getrouwd |
| jullie | jullie zijn getrouwd |
| zij / ze | zij zijn getrouwd |
Past perfect
| ik | ik was getrouwd |
|---|---|
| jij / je | jij was getrouwd |
| u | u was getrouwd |
| hij / zij / het | hij was getrouwd |
| wij / we | wij waren getrouwd |
| jullie | jullie waren getrouwd |
| zij / ze | zij waren getrouwd |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal trouwen |
|---|---|
| jij / je | jij zult trouwen |
| u | u zult trouwen |
| hij / zij / het | hij zal trouwen |
| wij / we | wij zullen trouwen |
| jullie | jullie zullen trouwen |
| zij / ze | zij zullen trouwen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou trouwen |
|---|---|
| jij / je | jij zou trouwen |
| u | u zou trouwen |
| hij / zij / het | hij zou trouwen |
| wij / we | wij zouden trouwen |
| jullie | jullie zouden trouwen |
| zij / ze | zij zouden trouwen |
Examples
- Mijn broer trouwt in juni. — My brother is getting married in June.
- We zijn in 2015 getrouwd. — We got married in 2015.