Verb conjugation
vertellen to tell
Regular (weak)perfect with hebben
- Infinitive
- vertellen
- Past (sing. / pl.)
- vertelde / vertelden
- Past participle
- verteld
- Imperative
- vertel!
Present
| ik | ik vertel |
|---|---|
| jij / je | jij vertelt |
| u | u vertelt |
| hij / zij / het | hij vertelt |
| wij / we | wij vertellen |
| jullie | jullie vertellen |
| zij / ze | zij vertellen |
| question with jij | vertel jij …? |
Simple past
| ik | ik vertelde |
|---|---|
| jij / je | jij vertelde |
| u | u vertelde |
| hij / zij / het | hij vertelde |
| wij / we | wij vertelden |
| jullie | jullie vertelden |
| zij / ze | zij vertelden |
Present perfect
| ik | ik heb verteld |
|---|---|
| jij / je | jij hebt verteld |
| u | u hebt/heeft verteld |
| hij / zij / het | hij heeft verteld |
| wij / we | wij hebben verteld |
| jullie | jullie hebben verteld |
| zij / ze | zij hebben verteld |
Past perfect
| ik | ik had verteld |
|---|---|
| jij / je | jij had verteld |
| u | u had verteld |
| hij / zij / het | hij had verteld |
| wij / we | wij hadden verteld |
| jullie | jullie hadden verteld |
| zij / ze | zij hadden verteld |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal vertellen |
|---|---|
| jij / je | jij zult vertellen |
| u | u zult vertellen |
| hij / zij / het | hij zal vertellen |
| wij / we | wij zullen vertellen |
| jullie | jullie zullen vertellen |
| zij / ze | zij zullen vertellen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou vertellen |
|---|---|
| jij / je | jij zou vertellen |
| u | u zou vertellen |
| hij / zij / het | hij zou vertellen |
| wij / we | wij zouden vertellen |
| jullie | jullie zouden vertellen |
| zij / ze | zij zouden vertellen |
Examples
- Vertel eens, hoe was je vakantie? — So tell me, how was your holiday?
- Ze heeft me alles verteld. — She told me everything.