Verb conjugation
wandelen to walk (for pleasure), to hike
Regular (weak)perfect with hebben/zijn
- Infinitive
- wandelen
- Past (sing. / pl.)
- wandelde / wandelden
- Past participle
- gewandeld
- Imperative
- wandel!
zijn when a destination is mentioned (we zijn naar het strand gewandeld); hebben for the activity itself (we hebben in het bos gewandeld).
Present
| ik | ik wandel |
|---|---|
| jij / je | jij wandelt |
| u | u wandelt |
| hij / zij / het | hij wandelt |
| wij / we | wij wandelen |
| jullie | jullie wandelen |
| zij / ze | zij wandelen |
| question with jij | wandel jij …? |
Simple past
| ik | ik wandelde |
|---|---|
| jij / je | jij wandelde |
| u | u wandelde |
| hij / zij / het | hij wandelde |
| wij / we | wij wandelden |
| jullie | jullie wandelden |
| zij / ze | zij wandelden |
Present perfect
Both auxiliaries are used — see the note above.
| ik | ik heb / ben gewandeld |
|---|---|
| jij / je | jij hebt / bent gewandeld |
| u | u hebt/heeft / bent gewandeld |
| hij / zij / het | hij heeft / is gewandeld |
| wij / we | wij hebben / zijn gewandeld |
| jullie | jullie hebben / zijn gewandeld |
| zij / ze | zij hebben / zijn gewandeld |
Past perfect
| ik | ik had / was gewandeld |
|---|---|
| jij / je | jij had / was gewandeld |
| u | u had / was gewandeld |
| hij / zij / het | hij had / was gewandeld |
| wij / we | wij hadden / waren gewandeld |
| jullie | jullie hadden / waren gewandeld |
| zij / ze | zij hadden / waren gewandeld |
Future (zullen)
In speech, Dutch often uses the present or gaan + infinitive instead.
| ik | ik zal wandelen |
|---|---|
| jij / je | jij zult wandelen |
| u | u zult wandelen |
| hij / zij / het | hij zal wandelen |
| wij / we | wij zullen wandelen |
| jullie | jullie zullen wandelen |
| zij / ze | zij zullen wandelen |
Conditional (zou)
| ik | ik zou wandelen |
|---|---|
| jij / je | jij zou wandelen |
| u | u zou wandelen |
| hij / zij / het | hij zou wandelen |
| wij / we | wij zouden wandelen |
| jullie | jullie zouden wandelen |
| zij / ze | zij zouden wandelen |
Examples
- Op zondag wandelen we vaak in het park. — On Sundays we often go for a walk in the park.
- We hebben twee uur in de duinen gewandeld. — We walked in the dunes for two hours.